Posts tonen met het label Verhalen voor jaarfeesten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verhalen voor jaarfeesten. Alle posts tonen

woensdag 14 december 2016

De Yule Elfjes

Een groepje kleine elfjes zaten warm bij elkaar gekropen in hun huis diep onder de wortels van een grote eikenboom. Ze waren veilig en knus in hun kleine grot die bekleed was met paardenbloemenpluis, vogelveren en gedroogd mos.
Buiten blies een koude wind en de sneeuw viel zachtjes naar beneden om de aarde te bedekken met een witte deken. “Ik zag de Zonnekoning vandaag.” zei het elfje met de naam Roos, terwijl ze haar mossige mantel strakker om zich heen trok. “Hij zag er zo oud en moe uit terwijl hij door het bos wegliep. Wat is er met hem aan de hand?”
“De Grote Eik zegt dat hij dood gaat.” antwoorde Narcis.
“Dood? Oh wat moeten we doen!” riep kleine Veldgras uit. Hij begon te huilen. “Als de Zonnekoning doodgaat zullen onze kleine plantenvriendjes niet groeien. De vogels zullen niet komen om weer te zingen. Het zal voor altijd winter zijn.” Lila, Narcis en Vlierbloesem probeerden hun vriend te troosten, maar ze waren allemaal verdrietig. Terwijl ze daar bij elkaar gekropen zaten, hoorden ze iemand kloppen op hun kleine deur.

“Doe open elfjes!” riep een luide stem. “Waarom verstoppen jullie je, in plaats van mee te doen met onze midwinterviering?” Roos opende de deur en de kleine gnoom Bruine Knobbel drong naar binnen.de sneeuw van zijn bruine jas en hoed schuddend.
“We zijn te verdrietig om feest te vieren.” zei Narcis terwijl ze de tranen uit haar ogen veegde. “De Zonnekoning gaat dood, heb je dat niet gehoord?
“Hij is al dood malle elfjes.” Bruine Knobbel zijn ogen stonden vol pretlichtjes. “Haast je nu, anders zijn jullie te laat voor het feest.”
“Hoe kun je nu blij zijn en lachen?” Vlierbloesem stampte op de grond en fronste naar de gnoom.
“Als de Zonnekoning dood is, zal het altijd winter zijn, dan zien we de zon nooit meer.”
“Malle elfenkinderen.” Bruine Knobbel pakte Narcis bij de hand en trok haar omhoog. “Er is een geheim over Midwinter, wil je niet weten wat het is?”
De elfjes keken verrast naar hem op. “Een geheim?” zeiden ze tegelijk. “Wat voor geheim? We zijn nog maar jonge elfjes, we hebben nog nooit Midwinter meegemaakt.”
“Kom kijken, kom kijken! Pak jullie mantels en ga mee naar de eiken.” Bruine Knobbel danste en sprong om ze heen. “Haast jullie, haast jullie, niet zo traag. Naar het heilige eikenbos, hup door die sneeuwvlaag.” Hij danste door de deur en verdween.

“Wat bedoelde die gnoom?”vroeg Roos terwijl ze haar mantel pakte die gemaakt was van van rozenblaadjes die bij elkaar werden gehouden door spinnenwebben en die gevoerd was met dons.
“Ik weet het niet, maar de Vrouwe woont in het heilige bos.” Veldgras zette haar hoed op. “Misschien als we de Godin bezoeken, dat zij ons kan vertellen wat Bruine Knobbel bedoelde.”
De elfjes verlieten hun knusse kleine huisje en sjokten door de sneeuw naar het heilige eikenbos.
Het bos was aardedonker, alleen de maan scheen tussen de dikke dennentakken en tussen de kale takken van esdoorn en hagedoorn door. Het was erg moeilijk voor ze om door de sneeuw te waden, omdat ze heel erg klein waren. Terwijl ze door de natte sneeuw ploeterden, bibberend in de koude sneeuwvlaag kwamen ze een vos tegen.

“Waar gaan jullie naar toe elfjes?” vroeg de vos. “Naar het heilige bos.” antwoorden de elfjes. “Klim maar op mijn rug, ik zal jullie er snel naar toe brengen.” De vos knielde neer zodat de elfjes makkelijk op zijn rug konden klimmen en rende weg door het donker bos.
“Luister.” zei Lila toen ze het heilige bos naderden. “Iemand zingt een vrolijk lied, een heleboel iemanden zingen liederen!”
De muziek werd door de wind naar de elfjes toegedragen in de koude maanverlichte nacht. Het was de mooiste muziek die de elfjes ooit hadden gehoord. De vos droeg de elfjes helemaal naar de grote steen in het midden van de cirkel eiken, toen knielde hij neer.
“Kijk!” riep Vlierbloesem terwijl ze van de vos zijn rug in de sneeuw gleed. “Daar staan het Meisje, de Moeder en de Wijze oude vrouw. En wat zijn er veel anderen van het kleine volkje.”
“Ze lachen en zijn allemaal blij.” zei Lila terwijl ze naar alle aanwezige wezens keek. “Alle dieren zijn er ook.” fluisterde Narcis . “Waarom kijken ze allemaal naar de Moeder?”
De elfjes bewogen zich nog dichter bij de grote steen waar de 3 vrouwen op zaten. De Moeder hield een bundeltje in haar armen, waar ze lief naar lachte. Het Meisje bukte zich en nam de elfjes zachtjes op haar handen. Ze hield ze dichtbij de Moeder zodat ze konden zien wat ze in haar armen hield.
“Een baby!” riepen de elfjes. “Een nieuwe baby, kijk eens hoe hij straalt.”
“Hij is de nieuwgeboren Zonnekoning.” vertelde het Meisje stralend.
“Maar Bruine Knobbel en de Oude Eik zeiden dat de Zonnekoning dood was.” antwoorden de elfjes haar. “Hoe kan dit kleine babietje de Zonnekoning zijn?”

“Dat is het grote geheim van Midwinter.” De Oude Wijze Vrouw raakte het wangetje van de baby zachtjes aan met haar gerimpelde hand. “Elk jaar komt de Zonnekoning op de donkerste dagen naar de grote steen in het heilige eikenbos om daar te sterven. Ik breng zijn ziel naar de Moeder zodat zij hem nieuw leven kan geven. Dit gaat voor alle levende wezens zo, niet alleen voor de Zonnekoning.”
“Bedoel je dat alles wat leeft dood gaat en weer opnieuw gaat leven?” De elfjes keken verwonderd naar de kleine Zonnekoning, die zo heerlijk in zijn moeders armen lag.
“Jazeker kleintjes.” zei de Wijze Oude Vrouw. “Er komt nooit een eind aan het leven. Dit is het grote verborgen geheim van Midwinter.”

De elfjes lachten, ze waren zo blij. “Ik denk dat dit kleine Zonnekind geschenken moet krijgen.” zei Roos. “Ik zal hem laten zien waar de eerste wilde rozen in bloei staan in de vroege zomer.”
“En ik zal hem leren de vogels te roepen en te luisteren naar de liederen van de wind.”zei Narcis.

“Wanneer hij ouder en sterker is,” zei de Moeder, “dan zullen de bloemen gaan bloeien wanneer hij ze aanraakt, de vogels zullen terugkomen om te zingen en de lucht zal warm zijn door zijn adem. De winter zal dan een poosje vertrekken en de Zonnekoning zal met jullie spelen en rennen in het bos.”
De kleine elfjes zongen voor het Zonnekind. Liederen over de lente die zou komen, over de heerlijk geurende bloemen, de zoemende bijen en alle geheimen van het bos. En alle wezens van het woud zongen met hun mee.
Toen bracht de vos de elfjes terug naar hun warme knusse huisje onder de wortels van de Grote Eik. Daar droomden ze heerlijke dromen en wachten ze op de komst van de lente en het plezier wat ze dan met Zonnekoning zouden hebben.


Bron onbekend, vertaald door Carolien Hansen
Afbeeldingen (oa Daniela Drescher) zijn als ansichtkaarten verkrijgbaar bij: www.uilenelf.nl


zaterdag 21 november 2015

De trollentraan

Een samhain verhaal voor kinderen van Aardewijsheid.

Het was een erg donkere en bewolkte nacht tijdens volle maan. De lucht was schoon en de geur van de herfst was ruikbaar en voelbaar, net als het gevoel dat de deur tussen de werelden open stond. De uitgesneden pompoenen versierden de portalen van de huizen in het kleine stadje en overal hoorde je het lachen van de kinderen die verkleed in de straten liepen.

Maar het was een droevige tijd voor Beth die de heuvel achter haar huis op klom. In haar armen droeg ze het in zijn favoriete deken gewikkelde lichaam van haar vriend en kat Smokey. Een klein graf was al op de heuvel gegraven en lag te wachten op Smokey, die die dag juist was gestorven.
"Wil je dat ik met je mee ga?", had de vader van Beth haar gevraagd. "Ik heb het graf gegraven naast de hond MacDougal op de top van de heuvel". Beth kon zich nog goed herinneren dat de hond was overleden nadat hij was aangereden door een auto. "Nee, ik wil graag alleen gaan". zei Beth.
Beth stopte op de top van de heuvel en knielde neer naast het kleine graf. Voorzichtig legde ze haar kat in zijn deken gewikkeld in het graf en overdekte het met aarde, om daarna een stel grote keien op het graf te leggen. Daarna begon ze vreselijk te huilen.

"Oh Smokey, ik mis je zo erg" Beth keek naar de maan terwijl de tranen langs haar wangen stroomden, "Waarom moest je nu sterven?"
"Omdat het zijn tijd was om terug te gaan naar de Moeder", zei een diepe maar vriendelijke stem vanuit het duister. "Wie zei dat?" Bethe keek rond maar ze zag niemand. "Doodgaan is een onderdeel van de levenscyclus, zoals je weet". Een van de keien leek wel tot leven te zijn gekomen. "Wie ben jij?" Het maanlicht scheen neer op een kleine vrouw en Beth kon zien dat het geen mens was. "Ik ben een trollenvrouw", zei het wezen terwijl ze in de richting van Beth liep. "En dit is een droevige nacht voor ons allebei, meisje, want ik kwam hier ook om een oude vriend te begraven." Het trollenvrouwtje veegde een kristallen traan van haar wang. "De eekhoorn was erg oud, maar nog steeds doet het me verdriet". Beth staarde naar het trollenvrouwtje, die in het maanlicht de kleur van steen had. Haar lange haar had de kleur van het mos en haar ogen blonken als schitterende kristallen. Ze droeg een gewaad van geweven eikenbladeren en boomschors. "De eekhoorn en ik leefde al heel lang samen," zei de trollenvrouw. "We spraken vaak met jouw kat als hij kwam jagen op deze heuvel. Smokey en ik waren vrienden en ik zal hem ook missen." De kleine vrouw klopte liefdevol op het graf van Smokey, "Slaap zacht, kleine vriend, en als je uitgerust bent zullen we weer met elkaar spreken".
"Maar hij is dood!" zei Beth met een doortraande stem. "Kind, het is Samhain, ken je het eeuwen oude geheim over deze tijd van het jaar niet?" De trollenvrouw wenkte Beth om naast haar te komen zitten. "Het is waar dat onze vrienden zijn overgegaan naar een wereld waar we ze niet meer kunnen aanraken, maar de Moeder heeft ons manieren gegeven om nog met ze te communiceren. We kunnen dit altijd doen maar deze tijd van Samhain is het het gemakkelijkste".
"Ik snap niet hoe ik dat moet doen ... en hoe Samhain dit gemakkelijker maakt", zei Beth.
"Tijdens deze tijd van het jaar", antwoordde het trollenvrouwtje, "is de deur tussen onze wereld en de wereld van de zielen en geesten open. En als we erg stil zijn en luisteren, kunnen we onze geliefden horen en zijn horen ons. We praten dan ook niet met gesproken woorden, maar met ons hart en onze gedachten".
"Is dat niet gewoon inbeelding", Beth keek naar het graf van Smokey en de tranen vulden alweer haar ogen. "Net zoals ik soms denk dat ik MacDougal op mijn bed kan voelen liggen, net zoals hij vroeger deed?"
"Soms is het inbeelding, maar meestal niet, alleen onze vrienden komen ons bezoeken als geest".
Het trollenvrouwtje strekte haar hand uit en knuffelde iets op haar schouder dat Beth niet kon zien. "Net als mijn vriend de raaf, hij is hier nu ook!" Beth tuurde zo hard ze kon en zag een vage schim op de schouder van het trollenvrouwtje. "Soms zie ik iets wat daar op lijkt, aan mijn voeteinde en precies op de plek waar MacDougal altijd lag.” Ze fluisterde:"Ik dacht altijd dat ik nog aan het dromen was."
Ze sprong op toen iets tegen haar arm aan duwde en toen ze naar beneden keek was er niets te zien. Het trollenvrouwtje glimlachte "Sluit je ogen en denk aan MacDougal", ze vervolgde,"Hij is al heel lang aan het wachten totdat jij hem ziet". Beth sloot haar ogen en opeens kwam de gedaante van haar hond in haar hoofd. Zijn staart kwispelde van blijdschap en ze voelde een golf van liefde van hem af komen en zij zond haar liefde voor hem terug. Toen voelde ze hoe haar hond aan haar voeten kwam liggen.

"Kan ik dit ook doen met Smokey", vroeg Beth. "Nog niet", antwoordde het trollenvrouwtje. "Hij moet nog even slapen en rusten. Daarna zal hij naar jou toekomen. Het duurt even voordat Smokey aan zijn nieuwe wereld is gewend en het duurt ook even voordat jij klaar bent met rouwen om hem. Het is niet verkeerd om te rouwen maar we moeten niet altijd rouwen".
"Ik heb er nooit op deze manier aan gedacht," zei Beth. "het is net alsof ze verhuist zijn en we alleen maar met ze kunnen praten over de telefoon". "Zo gaat dat met alle wezens, niet alleen met dieren". Het trollenvrouwtje stond op en stak haar hand naar Beth uit. "Wil je me volgen, mensenmeisje? Ook al heb ik mijn vriend de Eekhoorn vannacht begraven, toch moet ik dansen en zingen voor al mijn vrienden en voorouders die verder zijn gegaan op hun reis naar de andere wereld. Want dit is de tijd om onze voorouders te eren".

Beth danste samen met het trollenvrouwtje een eeuwenoude langzame trollendans op de top van de kleine heuvel die baadde in het maanlicht. Ze keek stil toe terwijl het trollenvrouwtje trollenwoordjes uitriep in de vier windrichtingen, woorden die Beth niet kon verstaan. Maar diep in haar hart voelde het meisje de kracht van deze woorden en ze wist instinctief dat deze woorden werden gesproken in eerbied en liefde. Toen het trollenvrouwtje klaar was met haar ritueel, omhelsde ze Beth en zei:" Ga in vrede, mensenkind en onthoudt wat ik je gezegd heb over het eeuwenoude geheim van Samhain." "Dat zal ik doen", antwoordde Beth. "Zal ik je ooit nog eens zien?" "Wanneer de maan vol is, zal ik hier zijn," zei het trollenvrouwtje, "en vooral met Samhain". "Ik wenste dat ik iets had dat ik je kon geven", zei Beth en omhelsde het kleine vrouwtje. "Je hebt me zoveel geleerd." En ze voelde hoe de tranen haar ogen weer vullen. "Laten we tranen uitwisselen voor onze verloren vrienden.' Het trollenvrouwtje stak een ruwe vinger uit en ving een traan op die uit het oog van Beth druppelde. De traan glinsterde op haar vinger. Het trollenvrouwtje bracht haar vinger voorzichtig  naar haar cape en de traan versteende als een diamant in het maanlicht. Beth stak voorzichtig haar vinger uit en ving een van de tranen van het trollenvrouwtje, die van haar ruwe wang afgleden. De traan veranderde in een kristal in haar hand. "Vergeet niet het geheim van Samhain en vergeet mij niet", zei het trollenvrouwtje zachtjes terwijl ze verdween in de duisternis.

Beth begon aan haar wandeling terug van de top van de heuvel, met het kristal stevig in haar hand geklemd. Haar vader stond in het portaal op haar te wachten. "Gaat het?" vroeg haar vader terwijl hij haar stevig knuffelde. "Het gaat wel weer", antwoordde ze. Ze opende haar hand in het licht van het portaal en zag een perfect traanvormig kristal in de palm van haar hand liggen. "Heb je iets gevonden?" vroeg haar vader. "De traan van een trol", antwoordde Beth en haar vader moest glimlachen. Want ook hij kende het geheim van Samhain en het kleine trollenvrouwtje.
Vertaling van een verhaal van D.J. Conway

vrijdag 20 november 2015

Geschenken in de duisternis


Het was duister en stil in het land van de mensen. De zon had zijn kracht verloren en moeder aarde was in slaap gevallen.
Toch waren de mensen niet verdrietig, moeder aarde had hun veel geschenken gegeven en vader zon had zijn licht de hele zomer lang warm op hun laten schijnen. Nu was het hun tijd om te rusten en tijd voor de mensen om te geven en te stralen.
Toen het in de avonden donker was geworden, dachten de mensen aan al hun geliefden die naar de andere wereld waren vertrokken en voelden ze dichtbij. Ze legden kleine offertjes als geschenk voor hun voorouders en dankten hen voor de gift van hun leven.

De kinderen van de mensen begonnen prachtige lampions en lantaarns te maken van knollen, pompoenen, papier en lijm.
Ze droegen hun licht rond in het land van de mensen zodat iedereen het kon zien. De mensen gaven de kinderen allerlei lekkernijen tijdens hun rondgang.
Een paar weken later was het weer tijd voor een feest vol geschenken, daar kwam de goedheiligman door de lucht aangevlogen op zijn trouwe paard. Ze stopten bij ieder huis om geschenken door de schoorsteen te laten glijden voor de kinderen van de mensen.
Het was een tijd van dankbaarheid, de lichtjes van de mensen straalden.
Ondertussen was het aan de hemel steeds duisterder geworden en moeder aarde sliep steeds vaster, maar er was iemand die klaarwakker was en vol vreugde. De godin had bemerkt dat het zonnekind weer in haar buik begon te groeien. De mensen vierden dit geluk met haar, vol blijde verwachting van dit prachtige geschenk.
Toen het leek alsof het niet duisterder kon worden in hun land, staken de mensen kaarsen aan, elke week zetten ze er 1 bij in afwachting van de weeën van hun godin.

Terwijl niemand het zag brachten kleine kaboutertjes in deze tijd van wachten geschenken van zorg en aandacht naar de mensen. Alles wat leefde droeg bij aan het verlichten van het land van de mensen. De mensen vierden feest en waren vol vertrouwen.
De buik van de godin werd ronder en voller. De kaarsen van de mensen branden steeds feller. Hoe duisterder het werd, hoe feller het licht van hun vertrouwen kon schijnen. En net toen ze dachten dat het niet duisterder kon worden, hoorden ze het baringslied van hun godin.
Het prachtige zonnekind was weer terug op aarde. De mensen waren vol vreugde ze hingen lichten in de takken van de bomen die zelfs in het duister nog groen waren gebleven. Dit licht op de donkerste dag van het jaar, in de altijd groen blijvende bomen was vol van de belofte dat het leven altijd wederkeert.
Hoewel het zonnekind nog veel sliep, begon hij steeds meer te groeien en te stralen. Tot zijn stralen zo fel waren dat ze moeder aarde wakker kusten. Samen brachten ze het leven in het land van de mensen terug. Alles werd groen, er groeiden weer heerlijkheden op de akkers. De mensen genoten ervan en waren dankbaar en gelukkig.

Een verhaal voor de wintertijd van Carolien Hansen
De plaatjes zijn als postkaarten verkrijgbaar bij: www.uilenelf.nl



dinsdag 10 maart 2015

De maanhaas van Ostara


De angelsaksen vereerden Ostara of Eostre als de Godin van de lente, de groen wordende aarde en vruchtbaarheid. Haar naam betekent "beweegt met de opgaande zon"  Rond de tijd van haar feest, op de dag dat licht en donker even lang duren, beginnen de plaatselijke dieren hun eieren te leggen.
Van de meest woeste tot de meest nederige, alle dieren vereerden Ostara en speelden in de warmte van de lentezon en aten van de nieuwe planten die zij had laten groeien.
Eèn van Ostara's aanbidders was een kleine haas die zijn Godin erg graag iets wilde geven, maar hij had geen idee wat voor kado zij op prijs zou stellen. Op een dag terwijl hij aan het eten was, kwam de haas een vers ei tegen, een prachtig kado! De kleine haas wilde het ei graag opeten, aangezien het al lang geleden was dat hij iets anders had gegeten dan droog gras. Maar voordat hij een hap van het ei nam realiseerde hij zich dat dit ei het perfecte kado zou zijn voor Ostara. Maar, bedacht hij, Ostara zou wel alle eieren kunnen krijgen die ze wilde, wanneer ze maar wilde. Zij was een Godin, een schepper, de belichaming van het leven zelf. Haar een gewoon ei geven was niet genoeg, hoe kon hij dit ei geschikt maken voor zijn Godin?

De kleine haas nam het ei mee naar huis en peinsde hoe het ei zo mooi kon maken als Ostara de aarde iedere lente maakt. Hij begon het ei te versieren. Hij verfde het in de tinten van Ostara's lentewouden en tekende de symbolen die heilig zijn voor Ostara op het ei. Toen hij vond dat hij het ei niet mooier kon maken, bracht hij het naar Ostara en offerde het aan haar.
Ostara was zo tevreden met de kleine haas zijn offer en vond de versieringen op het ei zo mooi, dat ze graag wilde dat iedereen en in het bijzonder kinderen die zelf symbool zijn van nieuw leven, plezier zouden hebben aan dit prachtige geschenk dat zo mooi symbool stond voor haar gaven. Sinds die dag, lang geleden, hebben de afstammelingen van de haas de taak op zich genomen om versierde eieren bij de kinderen te brengen in de lente. Ze worden nu Ostara's maanhazen genoemd of de meer bekende paashazen.

De plaatjes bij dit verhaal zijn als postkaart te koop in onze webwinkel: http://www.sfeer-en-magie.nl/121-kaarten-pasen

woensdag 18 juni 2014

Koning Hulst en koning Eik


Een verhaal voor midzomer. Bron



Het was zomer in het zuidelijke land van Koning Eik en zijn Koningin Hedera. Iedereen was vrolijk, opgetogen en vreedzaam. Overal in het land klonk muziek en gezang. Er werd gedanst, gelachen en ook gewerkt op het land. De bloemen stonden in bloei, de jonge dieren werden groot en sterk. De bijen maakten ijverig hun honing en jonge vogels verlieten hun nest. De groenten werden groot en waren bijna klaar voor de oogst. De fruitbomen stonden in bloei en vormden hun vruchten. Overal in het land brandden er zomerse vuren, ter ere van de zon die zo lang en helder scheen aan een blauwe hemel. De nachten waren nauwelijks donker en waren zwoel en aangenaam.
 Die vuren werden ook aangestoken omdat het feest was. Het feest was ter ere van Koning Eik die op 21 juni op de hoogste berg zou uitkijken naar zijn broer, Koning Hulst. Koning Hulst woonde in het Noorden van het land en vond dat iedereen zijn rust nodig had. Hij vond dat de zon zich terug moest trekken en de donkere nachten moesten komen. Alleen op die manier kon je plannen maken en tot jezelf komen, leren bewust te zijn en dankbaar te zijn met wat je hebt. Dat kon niet als altijd en zo lang de zon schijnt. Daarom ontmoeten Koning Eik en Hulst elkaar op 21 juni en 21 december en gaan dan de strijd aan om licht en duisternis.

Het zuidelijke volk zou graag zien dat het altijd zo warm en vrolijk is in hun land en daarom was er feest met volop te eten en te drinken. Dit allemaal om de koning te steunen en kracht te geven in zijn strijd tegen de Hulst. Die avond vertrok Koning Eik naar de heuvel. Hij keek uit naar het Noorden. Met zonsondergang kwam zijn broer, en hij zei: “Zoals we een half jaar geleden hadden afgesproken, treffen wij elkaar op het hoogtepunt van de zonnekracht”.

Koning Eik begroette zijn broer met een grote lach en was blij hem te zien. Hij zei: “Mijn beste broer, fijn dat je hier bent. Kijk eens om je heen, is dit niet geweldig? Zoveel vreugde en overvloed aan eten en liefde.” Koning Hulst zei ernstig tegen zijn broer: “Mijn beste broer, als je altijd vrolijkheid kent, hoe moet je dan ooit het verschil weten tussen vrolijkheid en bescheidenheid, hoe kan je al dat lekkere eten blijven waarderen als je niet weet om te gaan met dankbaarheid voor wat je hebt? Ik zal de strijd met jou aangaan en iedereen weer tot rust brengen. Ik zal je volk leren dankbaar te zijn en hoe je ook in rust en kalmte kan leven."
Ze trokken hun zwaarden en gingen de strijd aan. Het was een heftig duel. Ze waren tegen elkaar opgewassen. Alleen was Koning Hulst sterker. Koning Eik had al veel energie verloren en het laatste beetje energie verdween uit zijn lichaam. De strijd was gestreden en Koning Hulst nam de kroon van zijn broer af. "Mijn geliefde broer", sprak Koning Hulst. “Ik zal jou en je volk leren hoe je moet overleven in dagen waarop de zon minder zal schijnen. Ik zal je volk leren hoe ze hun mooie groenten en fruit kunnen bewaren en opslaan voor de winter. Ik zal je volk kennis en vaardigheden leren om tot rust en inkeer te komen en nieuwe plannen te maken tot het weer 21 december wordt, waarna wij elkaar weer zullen treffen en de strijd met elkaar aangaan tussen licht en duisternis. Duisternis is niet slecht, het zal je nieuwe kracht geven. Er zal minder te doen zijn in het land, waardoor er minder gewerkt hoeft te worden en je nieuwe levenskracht zal krijgen. In deze tijd kun je aandacht besteden aan iedereen die je dierbaar is en hen koesteren. Ook jij moet hebben gemerkt dat je energie bijna op is. In de tijd dat de zonnekracht zal afnemen zal je tot rust komen, zodat je terug kan kijken op mooie zomerse dagen en nieuwe plannen kunt maken voor het komende jaar.
Maar ga nu terug naar je volk en geniet van deze langste dag van het jaar." Koning Hulst ging samen met zijn broer naar het feest waarna hij weer terug ging naar zijn eigen koninkrijk in het Noorden waar Koningin Vlier op zijn terugkeer zat te wachten...

Wist je dat Europa vroeger voor 80% uit eikenbos bestond en dat het in de tijd van de Kelten en de Germanen een misdaad was als je een eik kapte? De Eik is voor de Kelten een heilige boom. Zij stonden via de eik in contact met de goden. Onder de eik werden plechtigheden gehouden zoals een huwelijk, rechtspraak of uitvaart, onder toezicht van de Goden. De Eik was extra heilig als er Maretak in groeide. De eik komt ook voor in de Keltische boomkalender en staat voor kracht, robuust en bescherming. Eik en Klimop (Hedera) vormen samen het heilige huwelijk.
De Hulst is ook een beschermer. Hij beschermt tegen kwade geesten en blikseminslag. Dit werd voornamelijk gelooft in de Middeleeuwen. Druïden daarentegen versierden hun huizen/hutten in de wintermaanden met Hulst, zodat dit het teken was voor de Goden om welkom te zijn in hun hutten (voor bescherming tegen de koude maanden).

vrijdag 16 mei 2014

Pooka gemeikipt - een verhaal voor Beltane



Pooka kroop over de vloer, zijn buik tegen de grond. Zijn lange zwarte staart zwiepte achter hem. Hij moest het huis beschermen.
Zijn zwarte ogen glinsterden in de schaduw onder de stoel. Toen sprong hij ineens op de muis af. Hij beet erin, trok hem uit elkaar met zijn klauwen.

"Je weet dat dit de laatste muis met catnip is die je krijgt voor midwinter?" vroeg Elsie die de trap af kwam.
"Mooi, dat betekent dat het huis tot die tijd veilig is." antwoorde de kat.
Hij deed zijn ogen dicht en spinde, hij verwachte een aai over zijn bol. Maar Elsie liep rechtstreeks naar de keuken om het ontbijt klaar te maken.

De kat was verontwaardigd, geen aai over mijn bol? En dat terwijl mijn laatste catnip muis net stuk is gegaan. Hij liep achter de kleine heks aan, helemaal van zijn stuk.

Elsie stookte het vuur op en zette een ketel op het vuur voor thee. "Eieren of havermout?" vroeg ze hem. "Het kan me niets schelen." gromde Pooka. "Pannenkoeken?" probeerde Elsie. Pooka was dol op pannenkoeken! "Met bosbessen?" vroeg hij.
Elsie glimlachte. Pooka voelde zich al iets beter. En toen Elsie vertelde dat het bijna tijd was voor Beltane, werd hij nog vrolijker, want dat betekende een wandeling in het bos en een wandeling over bloemenvelden om varens en bloemen te plukken voor een meimandje. Het betekende in de vroegte op je tenen meimandjes achterlaten bij vrienden en je best doen niet gezien te worden. Daarna zouden ze dansen rond de meiboom en picknicken ter ere van de grote bruiloft van de god en godin van de natuur.

Pooka hield van Beltane, misschien wel meer dan van pannenkoeken. Hij keek toe terwijl Elsie de mandjes verzamelde en telde, ze had ze gevonden bij de kringloop en op de rommelmarkt. Ze wees elk mandje aan: "Deze is voor mevrouw Epstein van de bibliotheek, deze voor Nathan en zijn oma, meneer Amber de apotheker, boer Gilroy en zijn vrouw, en dan hebben we nog Loes de bloemenverkoopster, Lavinia Hinkel en..."
"Wacht eens even!" onderbrak Pooka. "Geven we weer een mandje aan mevrouw Hinkel? Ze heeft een hekel aan meidag en ze gooit de bloemen uit haar mandje altijd in de vuilnisbak." Elsie grinnikte en knipoogde naar Pooka. "Nee hoor, dat doet ze niet, ze zegt alleen maar dat ze dat doet. Weet je nog? We gluurden bij haar naar binnen vorig jaar en toen zette ze de bloemen in een vaas. We zagen haar zelfs 1 van de koekjes proeven die we in de mand hadden gestopt."
"Ja," zei Pooka, "maar ze is zo'n oude mopperkont! Niemand is zo mopperig als zij, Elsie. Ze doet bazig tegen de kinderen en ze had een keer het hele dorp tegen je opgezet. Kunnen we het mandje niet aan iemand geven die aardiger is?"
"Soms is de beste manier om een mopperkont vriendelijk te maken, ze te behandelen als een vriend." zei het heksje.

De volgende dag was gevuld met het bakken van koekjes en het maken van lekkers en de dag erna gingen ze naar het bos op zoek naar varens en bloemen.
Die avond versierden ze de mandjes en vulden ze ze met kleine kadootjes. Voor Nathan waren er vishaakjes, voor oma had het heksje pantoffels gehaakt.
Ze waren in het mandje gestopt samen met madeliefjes en paardenbloemen. Voor mevrouw Epstein van de bibliotheek had Elsie boekenleggers gemaakt met bloemen uit de bloemenpers en heerlijke thee van verzamelde kruiden. Deze lagen samen met roze rozen en groene varens in een mandje.
Mevrouw Hinkel kreeg lange stengels heerlijk ruikend lavendel, samengebonden met een paars lint. Ze kreeg ook lavendel citroen koekjes en een paar pakjes zaden uit Elsie's tuin erbij.
"Arme zaden." zuchte Pooka "Ik denk dat ze veel te bang zijn om te groeien in mevrouw Hinkel haar tuin!" De heks keek hem aan met een blik die zei dat Pooka er nu over op moest houden.
Nu alle mandjes ingepakt klaar stonden op de keukentafel, gingen Elsie en Pooka naar bed.

Ze werden vroeg wakker de volgende dag, nog voor de zon op was. Ze pakten de mandjes om rond te brengen. Met haar armen vol stapte Elsie in het donker over de drempel naar buiten om vervolgens ergens overheen te struikelen. Pooka vroeg geschrokken: "Gaat het?" Het heksje zei: "Ik denk het wel, maar waar
struikelde ik toch over?"
Pooka keek. Voor de deur stond een hele rij mandjes vol met bloemen en kadootjes. "Ik geloof dat het een meikip is." zei hij. "Wat is dat? vroeg Elsie
terwijl ze over haar enkel wreef. De kat rolde met zijn ogen. "Dat zou je moeten weten. Een meikip is wanneer iemand stiekem een meimandje op jou stoep zet VOORdat jij er 1 bij hun hebt neergezet." (Eigenlijk had hij dit net verzonnen.) Hij staarde naar de mandjes. "Volgens mij heeft het hele dorp ons
gemeikipt!"
Elsie haar ogen werden groot. "Nee toch, heeft het hele dorp ons meimandjes gebracht?" Het werd langzaam licht terwijl Elsie de mandjes bekeek.
In 1 van de mandjes zat een boek over kruiden. "Die komt vast van mevrouw Epstein van de bibliotheek." zei ze. "Ja, ik herken de roze rozen uit haar tuin.
En deze met de kaneelkoekjes moeten van mevrouw Gilroy zijn." "Ik denk dat de kaneelkoekjes voor mij bedoel zijn!" zei Pooka smakkend. "Dit is vreemd, heel vreemd." zei Elsie terwijl ze in 1 van de andere mandjes keek.
De kat stopte met het proberen open te maken van het zakje kaneelkoekjes om naar het heksje te kijken. "Wat is vreemd?" vroeg hij.
"Een zakdoek van kant, een fles verse room en een gehaakte muis gevuld met..." Elsie rook er aan. "Ja, dat is catnip."
"Een muis met catnip? Iemand houdt van me!" riep Pooka uit en sprong naar het mandje om te kijken. "Wat is daar vreemd aan?" Elsie wees naar de bloemen in het mandje. "Sleutelbloemen." zei ze. "Ik ken maar 1 tuin waar deze groeien." Pooka's ogen werden groot. "Wie zou er zo dapper zijn om in de tuin van Lavinia
Hinkel bloemen te plukken?" vroeg hij zich af.
"Ik denk niemand." zei Elsie. "Bedoel je dat... mevrouw Hinkel ons dit mandje heeft gegeven? Mevrouw Hinkel gaf Mij een muis gevuld met catnip? Ik dacht dat ze ons helemaal niet aardig vond."
Pooka moest er even over nadenken. Toen stond hij op en zei: "Ik denk dat we nu onze mandjes moeten gaan bezorgen, allemaal!"

Dit verhaal is een vrije vertaling van het verhaal uit de Beltane editie van http://www.pookapages.com/
Met enige regelmaat schrijf ik zelf een verhaal passend bij de jaarfeesten en/of  vertaal ik er 1 uit het engels. De bronnen worden erbij vermeld.